Wetenswaardigheden van en over de barbeel.

De barbeel, barbus barbus

 

De barbeel figureerde opvallend vaak in de 17 e en 18 e eeuw op visstillevens, een teken dat deze soort werd gewaardeerd als consumptievis. In 1765 schreef al eens iemand het volgende over de barbeel: “de barbeel is blank doch week van vleesch, en wordt niet gegeten dan oud zynde, als wanneer hy een goed voedzel geeft. Men stooft of braadt hem, en maakt ‘er een ragout of andere geregten van, die door de bygevoegde speceryen zeer smaakelyk zyn”.

Barbeelkuit daarin tegen is wel giftig. Je kan er erg ziek van worden, met flinke diarree, en hartklachten tot gevolg.

Hoewel de barbeel tegenwoordig niet meer wordt gegeten, is het nog steeds een aansprekende vissoort die indicatief ( aanwijsbaar) is voor natuurlijke, vrij optrekbare riviersystemen.

jonge barbeeltjes samen met elritsen

 

Menscheneter?

Dat de barbeel eigenlijk in één adem genoemd dient te worden met roofvissen als de witte haai en de piranha, is veel mensen onbekend. Echter in 1863 werd er het volgende over de barbeel geschreven; Zijn voedsel bestaat uit wurmen, slakken, mosselen, ook kleine visschen. Zijne lievelingskost echter is menschenvleech”…

 

De barbeel behoort tot de familie van de karperachtigen, de Cyprinidae. Deze familie bevat ongeveer 200 geslachten en meer dan 2000 verschillende soorten. De systematiek van het geslacht Barbus, waartoe de barbeel behoort is complex. Momenteel worden er in Europa 28 verschillende soorten onderscheiden. De barbeel is van al die soorten de meest wijd verspreidde en de enige in Nederland voorkomende soort.

 

De barbeel zoals wij hem kennen heeft een robuust en langgerekt lichaam dat aan de buikzijde is afgeplat. De kop is gestroomlijnd en de bek onderstandig, met één paar bekdraden aan de mondhoeken en één paar kortere op de bovenlip. De schubben zijn middelgroot: op de zijlijn liggen er 55 tot 65. de rugzijde is meestal licht bruingrijs, de buikzijde wit tot roze, de vinnen vaak iets roodachtig. Juveniele ( jonge) barbelen zijn in de regel wat lichter van kleur met onregelmatig verspreidde donkere vlekjes. Verwarring van adulte ( oudere) barbelen met andere vissoorten is vrijwel uitgesloten. Juveniele barbelen zouden door een ongetraind oog kunnen worden verward met bermpjes, riviergrondels of de uitheemse witvingrondel, welke laatste meer en meer voorkomt in de Waal en IJssel. Het bermpje verschilt van de barbeel door de aanwezigheid van zes bekdraden, terwijl de barbeel er vier heeft. De beide grondelsoorten hebben slechts twee bekdraden.

jonge barbeel of juviniele barbeel

De barbelen kunnen bij uitzondering tot wel één meter groot worden. Meestal bedraagt de maximale lengte echter 60 tot 80 cm . Net als de maximum lengte, is de groei afhankelijk van de leefomstandigheden en kan sterk verschillen per klimaatregio en stroomgebied. In Nederland is de groei vrij snel. In het vierde levensjaar wordt een lengte van 35 cm bereikt en na tien jaar is dit ongeveer 60 cm . In 2007 had ik een barbeel van 83 cm gevangen. Ik heb van die barbeel drie schubben opgestuurd om op die manier te weten te komen hoe oud hij was. De barbeel bleek slechts acht jaar oud te zijn! Het maximale gewicht ligt meestal rond de vier tot vijf kilo, er zijn echter barbelen bekend met een gewicht van meer dan 12 kilo . De maximale leeftijd bedraagt ruim 20 jaar.

De paai vindt plaats in het voorjaar op ondiepe, snelstromende grindbanken bij een watertemperatuur van 13,5 tot 18 graden. De mannetjes arriveren vaak eerder op de paaigronden. De barbeel paait in groepjes van één vrouwtje met meerdere mannetjes. Hierbij worden meer dan 125.000 kleverige eitjes afgezet. Afhankelijk van de watertemperatuur komen de eitjes na één tot twee weken uit. De acht mm lange dooierzaklarven zijn lichtschuw en verbergen zich tussen de kiezelstenen voor een periode van ongeveer tien dagen. Hierna laten de vrijzwemmende larven zich afzakken naar ondiepe oeverzones met weinig tot geen stroming. Als de jonge barbeeltjes een lengte van 30 mm bereiken verplaatsen ze hun foerageergebied ( voedselgebied) naar steeds sneller stromende delen van het water. Juvenielen van 60 mm wordt vrijwel uitsluitend aangetroffen op snelstromende grindbanken, met stroomsnelheden tot wel 1,2 meter per seconde. Volwassen barbelen houden zich vooral op in de diepere, minder snelstromende delen of in de luwte van obstakels, zoals stenen, takken, wortels, diepe kommen en soms ook vegetatie. Ze fourageren echter net als de juvenielen voornamelijk op of nabij grindbanken die in de volle stroom liggen.

Barbelen zijn omnivore ( allesetende) vissen met een voorkeur voor dierlijk voedsel. Vooral insectenlarven, wormen, kreeftachtigen, weekdieren en soms ook kleine vis of visbroed worden gegeten.

ze groeien gestaag

 

De barbeel in opmars

Vroeger was de barbeel talrijk in de Limburgse maas en algemeen voorkomend in de Rijn, de Waal en de IJssel. Door de bouw van stuwen, kanalisatie van de rivieren is de barbeelstand na de tweede wereldoorlog sterk afgenomen. Tot het begin van de jaren '90 kwamen de barbelen eigenlijk alleen nog voor in de Limburgse grensmaas en in kleinere Limburgse riviertjes zoals de Roer en de Geul. Sinds die tijd is de barbeel met een opvallende sterke opmars bezig. In het Limburgse worden de laatste 10 jaar in steeds meer beken en riviertjes barbelen aangetroffen, en in steeds grotere aantallen. Ook buiten Limburg komt de barbeel steeds vaker voor. In de grote rivieren als de Waal, de lek en de IJssel, maar ook in kleinere riviertjes als de Kromme Rijn, en zelfs het Amsterdamrijn kanaal. Dat de barbeel zich in ons land succesvol voortplant blijkt wel uit de veelvuldige vangstmeldingen van juveniel exemplaren. Dat het de goede kant op gaat met deze typische riviervis is ook positief nieuws voor het groeiend aantal sportvissers dat zich, in veel gevallen succesvol, toelegt op deze vissoort.

 

De verwachting is dat de barbeel in de komende jaren op steeds meer stromende wateren te vinden zal zijn en verder in aantal zal toenemen. De terugkeer van de barbeel staat symbool voor de verbeterde leefomstandigheden van de Nederlandse rivieren en beken. Voor de sportvisserij betekent het een verrijking van een prachtige sportvis, die ook zeker een nieuwe doelgroep zal opleveren. Naast de karper- en de snoekvisser zal in de toekomst ook de barbeelvisser erkend worden.

 

Nog meer weetjes…

 

Palen voor vis

In de lek zijn in 2005 voor onderzoek vier kribvakken afgeschermd met een dubbele palenrij, met daartussen bossen rijshout. Om het effect van de afscherming op flora en fauna te bepalen is door Rijkswaterstaat Waterdienst een monitoringsplan (toezichtsplan) opgesteld, waarbij gedurende zes jaar de ontwikkeling van planten, vis, macrofauna, bodemkwaliteit wordt gevolgd. Hierbij worden afgeschermde kribvakken vergeleken met open kribvakken.

snelle groeiers op de Waal

 

In opdracht van de Waterdienst zijn in 2006 verschillende parameters onderzocht om het effect van de afscherming vast te stellen. Zo bemonsterde Aqua Terra in vijf opeenvolgende maanden de visstand in zowel een open als een afgeschermd kribvak. Maar deze gaven te weinig inzicht voor een gedegen onderzoek. Twee kribvakken is ook niet echt veel. Daarom werd in 2007 besloten de vismonitoring uit te breiden naar vier open en vier afgeschermde kribvakken.

 

Bij het bepalen van het effect van de afscherming is de rol van kribvakken als paai- en opgroeigebied voor vis een belangrijk aspect. Daarom hebben in 2007 bemonsteringen plaatsgevonden in de zomermaanden juni, juli en augustus. De verwachting was dat jong visbroed ( 2007) zich in de kribvakken zou ophouden, en dat daardoor een betere afspiegeling kon plaatsvinden op paaisucces en opgroeimogelijkheid van de diverse vissoorten. Per onderzoeksmaand is elk vak één keer bemonsterd. Het open water van de kribvakken is met een fijnmazige zegen met een lengte van 75 meter bevist. De oevers en kribben zijn met een elektrovisapparaat vanuit een boot onderzocht. In de afgeschermde vakken zijn tevens de palenrijen met het elektrovisapparaat geïnventariseerd.

Vissen maken in het relatief heldere rivierwater vooral 's nachts gebruik van de ondiepe oeverzone en zijn dan beter te vangen. Daarom is de bemonstering met de zegen ook in de late nanacht uitgevoerd. Deze wijze van bemonsteren, namelijk 's nachts met een zegen in de kribvakken, is een eenvoudige en naar verhouding goedkope manier voor vismonitoring in grote rivieren. Bij een eerder uitgevoerd onderzoek in de Waal is gebleken dat deze bemonsteringsmethode ook uitvoerbaar is in sneller stromende rivieren.

een echte bodemvis

 

Wat voor mij nu interessant is in dit onderzoek, is om te lezen dat er barbeel is aangetroffen in de kribvakken. In totaal zijn 21 verschillende vissoorten aangetroffen, waarvan 19 in de afgeschermde kribvakken voorkwamen en 16 in de open kribvakken. Het viel op dat plantminnende soorten als de kleine modderkruiper en het vetje alleen in de afgeschermde kribvakken zijn gevangen. Naast het verschil in soortensamenstelling wordt er in het afgeschermde kribvak aanzienlijk meer vis gevangen. In biomassa wordt de visstand in de kribvakken overheerst door algemene, eurytope ( witvis, paling snoek) soorten. Ook in aantallen zijn de vissen van het eurytope gilde het sterkst vertegenwoordigd in de vangst. In de eerste onderzoeksmaand is naast de eurytope soorten in de afgeschermde kribvakken een aanzienlijk aandeel rheofiele ( stromingsminnende zoals barbeel, winde en kopvoorn) soorten aangetroffen. De vangst bestond hier vooral uit broed ( vissen die in 2007 zijn geboren).

De aantallen en biomassa's aan vis per hectare zijn statistisch getoetst op verschillen tussen de afgeschermde en open kribvakken. Er is verder getoetst op de omvang van de totale visstand en van de gilden. Hierbij zijn geen statistische verschillen gevonden tussen de open en afgeschermde kribvakken.

In de afgeschermde kribvakken werden bijna 8200 vissen gevangen. In de open kribvakken bijna 4400 stuks. Op het oog logisch als je naar de geborgenheid kijkt, die een afgeschermd vak oplevert. Wat ik interessant vond aan het onderzoek was uiteraard dat er barbeel werd aangetroffen op de Lek. Het onderzoek loopt nu drie jaar, vanaf 2005. Barbeel spreid zich over Nederland. Het gaat rustig maar gestaag. Nog even geduld en we kunnen op meerdere wateren genieten van deze krachtige sportvis!

 

superkrachtige sportvis